In 1950 vraagt Jan Nelissen, poppenspeler van de Poesjenellenkelder in Maastricht, aan Aad de Haas om drie poppen te maken én het decor te schilderen voor de door hem te spelen Mozart-opera Bastien en Bastienne. De poppen worden vooraf gegaan door vier voorstudies, die eveneens bewaard zijn gebleven. Alle poppekoppen zijn in papier-maché uitgevoerd en beschilderd. In stijl vertonen ze nauwe verwantschap met het werk uit de jaren veertig en vijftig. In de handen van de fabelachtig poppenbewegende Jan Nelissen moeten de beschilderde koppen en bont beschilderde lappen een mooi leven beschoren zijn geweest. De opera heeft lange tijd op het repertoire gestaan. De poppenkoppen waren echter wat zwaar en dus minder makkelijk te bewegen. Uiteindelijk heeft Jan Nelissen zelf nog vervangende poppen gemaakt en de drie oorspronkelijke aan de Stichting Poppenspelcollecties geschonken. Momenteel zijn de poppen in bezit van de Universiteit van Amsterdam.